De laatste les

Jaren geleden eindigde mijn wiskundeleraar halverwege de laatste les voor de zomervakantie met een indringend “Tjotské, geef acht!”, gevolgd door “Kerei, buigen!”. Het was de inleiding tot een indringend persoonlijk verhaal over zijn kamptijd.
Zo hadden wij hem nog niet meegemaakt. Bewogen deed hij zijn verhaal en wij hingen aan zijn lippen. Deze oorlogsgeschiedenis was nieuw voor ons.

IMG_1224

Helaas moest hij het onderwijs vroegtijdig vaarwel zeggen. Ernstige ordeproblemen, hoog opgelopen spanningen en het slaan van een leerling deden hem de das om. Hij liet zich omscholen en kwam uiteindelijk in het bedrijfsleven terecht. In korte tijd werkte hij zich op tot rayonhoofd.

Het bedrijf stond echter aan de vooravond van de zoveelste reorganisatie. De ingrijpendste tot nu toe. Als rayonhoofd, wiens functie werd opgeheven, kwam hij niet vanzelfsprekend in aanmerking voor de nieuw gecreëerde (maar wel vergelijkbare functie) van regiomanager. Hij zou opnieuw moeten solliciteren en een psychologische test moeten ondergaan. Daar paste hij voor.
“Dan gooi ik het op mijn jappenkampverleden”, zei hij. “Dan moeten ze wel iets voor me regelen.” Hij meende geen woord van wat hij zei. Nog een paar jaar en dan ging hij met pensioen.

Op zijn werk en het werk dat zijn medewerkers afleverden was niets af te dingen. Hij was een manager, die met strakke hand het rayon leidde; hij had de wind eronder. Een aantal medewerkers kon niet met hem overweg. Zij voelden zich door hem gedwarsboomd en genegeerd. Een simpel “Goede morgen” bij binnenkomst kon er niet af. Het waren ook altijd dezelfde medewerkers die hij controleerde wanneer hij een ziekmelding niet vertrouwde. Hij noteerde en checkte nummerborden en belde naar huis als hij meende een van hen te zien rijden of lopen in de stad. De bedrijfspsycholoog had wel een verklaring voor zijn bij vlagen tirannieke gedrag. Ze was daar vrij stellig in: “De ontberingen en zijn ervaringen in het jappenkamp hebben hem zo gemaakt. Punt.”

In de oorlog was hij nog een kind. Dat hij in een jappenkamp had gezeten, gescheiden van zijn moeder, wist slechts een enkeling op de zaak. Soms vertelde hij over die tijd, meestal als je het niet verwachtte. Hij bloeide op wanneer je met hem sprak over Indië. Het leek net of je te maken had met een ander mens. Hij ontpopte zich dan als een vriendelijke, warme persoonlijkheid. Toch bleef hij voor velen een gesloten boek, die zich niet kon verzoenen met het verleden.

In een Haagse boekhandel blader ik wat tijdschriften door als plotseling een oude man mij aanstoot. Verschrikt kijkt hij me aan, wijzend naar de kast met boeken over de Tweede Wereldoorlog en de geschiedenis van Nederlands-Indië. Nazi’s en Japanse soldaten staan prominent afgebeeld op omslagen. Dan spreekt hij mij aan:
“Daar word ik zo ziek van meneer. Ik word er niet goed van. Wanneer houdt het toch eens op.” De man lijkt op mijn wiskundeleraar van toen. Ik kijk hem aan, maar weet niets terug te zeggen. Zijn gekwelde gezichtsuitdrukking brengt me van slag. Zou hij het zijn? Als ik eindelijk een gesprek met hem wil aanknopen, maakt hij aanstalten om verder te gaan. Bij de uitgang draait hij zich om. De droefenis lijkt uit zijn ogen verdwenen. Een blik van herkenning. Hij knikt.

Patrick Wouters

#Ikherdenk 15 augustus 1945 – 15 augustus 2015

Advertenties

#mijmermoment: Daarom die vlag

 

De 15e augustus
“Wie is er bij jullie jarig?” In de tien jaar dat ik in dit dorp woon, is deze vraag mij vaak gesteld als ik op 15 augustus de vlag uithang. Voor mij nog steeds dé datum om stil te staan bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. Geduldig vertel ik aan de hand van mijn eigen familieverhaal over nut en noodzaak en dan blijkt men altijd zeer geïnteresseerd: “Nooit geweten buur.”

Verder lezen kan bij Door Blauwe Ogen

 

 

#mijmermoment: Daarom die vlag

Door Blauwe Ogen

Of zwarte piet racistisch is, heb ik hem nooit kunnen vragen. Wel legt de hele zwarte-piet-discussie in Nederland racistische tendensen bloot en merk je dat er nogal wat Nederlanders zijn die de eigen geschiedenis niet kennen of willen kennen. Of het nu gaat om het slavernijverleden of het koloniale verleden: aanpassen en muil houden lijkt ook anno 2014 het devies. Offline en online.

Daarom zal ik me nooit verontschuldigen als ik ‘weer eens’ schrijf over mijn Indische achtergrond: die verschijnt toch telkens om de hoek, ook als ik er niet mee bezig ben.

Deel van interneringskaart van de opa van Patrick Deel van interneringskaart van de opa van Patrick

De 15e augustus

“Wie is er bij jullie jarig?” In de tien jaar dat ik in dit dorp woon, is deze vraag mij vaak gesteld als ik op 15 augustus de vlag uithang. Voor mij nog steeds dé datum om stil te staan bij het einde van de Tweede…

View original post 395 woorden meer

Haar

clooney_2Vrouwen willen hem hebben. Mannen willen hem zijn. Ik wilde alleen zijn haar. Dus nam ik deze en nog een andere foto mee naar de Turkse kapper in Schiedam.
“Wie is dat?”, vroeg O.. Waarschijnlijk keek hij alleen maar schoteltelevisie.
“Doe mij maar zo’n vriendin,” antwoordde ik om het ijs te breken. Ongemakkelijk liet ik de tweede foto zien. Ik wees op de rechter- en linkerkant van George Clooney’s hoofd.
“Zo’n kapsel graag, maar niet té kort.”
“Jouw haar anders.” Hij sprak zoals hij knipte: staccato. Hij nam een teug van zijn sigaret, maakte zijn handen schoon, en nam mijn hoofd onderhanden. Iets vertelde me dat ik snel weer buiten zou staan: ik was vergeten een parkeerkaart te kopen.
Vriend R., die mij deze kapper had aanbevolen, suggereerde stand 1 van de tondeuse en maakte een bijpassend geluid waar zelfs Matthijs van Nieuwkerk van onder de tafel zou duiken.
In vijftien minuten was het gepiept en ik was tevreden. What else? Turkish barbers are the best. Schiedamse parkeerwachters ook: no ticket today.

Een Indisch graf in het land achter de horizon

 

263297_231538800223714_771343_nMijn opa van vaderskant heb ik nooit gekend. Uit een handvol foto’s blijkt de familiegelijkenis. Hij werkte bij Apotheek De Vriendschap in Soerabaja, waarvan zijn zwager directeur was. Met zijn gezin woonde hij begin jaren dertig linksboven de apotheek. De foto’s van vroeger laten niet zien, dat aan die gelukkige, onbezorgde dagen gauw een einde kwam.
Mijn opa werd begin december 1941 bij algemene mobilisatie voor de militaire dienst opgeroepen en ingedeeld als landstormsoldaat eerste klasse bij het Wapen der Infanterie IIe Landstorm Bataljon in Soerabaja. Na de capitulatie van Nederlands-Indië op 8 maart 1942, worden de soldaten tijdelijk gevangen gehouden op het jaarmarktterrein in Soerabaja. Het is daar dat mijn oma en hun kinderen zo nu en dan een glimp van hem kunnen opvangen. Meer ook niet. Na een korte internering in de Changi-gevangenis in Singapore, begint een vreselijk transport met de Kamakura Maru naar de scheepswerf Harima bij Osaka, waar ze in de winter van 1942 worden tewerkgesteld. Hij zal zijn gezin nooit meer terugzien. Mijn opa overlijdt in Japans krijgsgevangenschap op 43 jarige leeftijd in 1944.
Bijna een halve eeuw lang heeft mijn familie niet geweten wat hem was overkomen. Vlak voor mijn vakantie naar Indonesië in 1993 kwam ik per toeval in contact met de Oorlogsgravenstichting in Den Haag. Zij wisten mij te vertellen dat de laatste rustplaats van mijn opa zich bevindt op Ereveld Menteng Pulo in Jakarta. De Oorlogsgravenstichting heeft hierover mijn oma in 1962 een brief gestuurd. Deze brief is nooit door mijn (in 1981 overleden) oma ontvangen. Zou de brief zijn kwijtgeraakt in het contractpension waar zij indertijd woonde?
Dagboek: Jakarta, 25 september 1993
De Bluebird taxi brengt mij naar het Ereveld Menteng Pulo. Om het ereveld te bereiken, passeer je eerst de Islamitische en Christelijke begraafplaats. Tussen de graven wonen mensen en er zijn kraampjes gestald. Er wordt vreemd gekeken naar mij als de taxi over het kerkhofterrein rijdt. Dan duikt plots de witte toegangspoort en de kerktoren van Ereveld Menteng Pulo op. Ik kan een gevoel van opwinding niet onderdrukken.
De taxichauffeur belooft me na een uur op te halen zodat ik rustig de tijd heb de laatste rustplaats van mijn opa te bezoeken. De poort is gesloten, bezoekers moeten zich via het luiden van de bel melden. De bel galmt over het terrein. Geen reactie. Het blijft lang stil. Even denk ik voor niets te zijn gekomen. Het zweet breekt me aan alle kanten uit. Gelukkig komt na verloop van tijd een vriendelijke wachter de poort openen. Na de registratie loop ik direct naar het Columbarium. Ik hoef niet geleid te worden. Ik lijk de weg te kennen. Loop recht op mijn doel af, links en rechts van mij witte kruizen. Ik lees de naam onder de urn met de stoffelijke resten van mijn opa. De herkenning ontroert me. De urnengalerij laat een diepe indruk achter. Wat is het hier mooi. Een bijzondere plek in een hectische stad. Jakarta werkte al gauw op mijn zenuwen, maar deze oase van rust doet dat alles vergeten. Ik plaats een zijden roos en een foto van mijn opa bij de urn, film en maak foto’s voor thuis.
Als ik het ereveld verlaat, zie ik pas de skyline van Jakarta opdoemen. De taxichauffeur komt niet opdagen, maar dat geeft niets, ik heb gezien waarvoor ik gekomen ben.
Dagboek: Surabaya, 8 oktober 1993
Op Ereveld Kemban Kuning, blader ik door de registers van de Christelijke begraafplaats. Ik ben op zoek naar het graf van mijn overgrootmoeder van vaders kant. De vriendelijke medewerkers van de begraafplaats zijn zeer behulpzaam. Binnen een mum van tijd vinden we haar kaart. Het graf van mijn overgrootmoeder is gauw gevonden. Het ziet er goed onderhouden uit. Iemand moet de zorg van dit graf op zich hebben genomen. Bij het graf worden we omringd door nieuwsgierige mensen. Een jongen volgt mij met belangstelling. Als ik foto’s heb gemaakt en aanstalten maak om weg te gaan, komt hij aangerend.
“Please, mister, you wait.” Er is op de begraafplaats een familielid dat mij wil ontmoeten. Welk familielid dan? In de verte komt een oud vrouw aangelopen. Zij blijkt de weduwe te zijn van een jonger broertje van mijn oma die vandaag op de verjaardag van haar overleden man een bezoek aan zijn graf heeft gebracht. Als ik haar vertel wie ik ben omhelzen we elkaar. Voor ons beiden is deze ontmoeting een lot uit de loterij.
Eerder verschenen in diverse publicaties.  Opnieuw geplaatst wegens de herdenking van de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945,

 

Ik weet niet beter

Nieuw: column over mijn Indische achtergrond, die ik onlangs schreef voor het Door blauwe ogen blog van schrijfster/blogger Sabina de Rozario.

Door Blauwe Ogen

,,En jou schop ik terug naar Indië!”, beet de buurvrouw van één hoog mij ongemeen fel toe. Klaar met iedereen die bij haar belletje trok en witte aalbessen tegen het slaapkamerraam blies. Ziedend stoof zij naar beneden. En ik stond erbij en keek ernaar, terwijl de boosdoeners zich uit de voeten maakten.

Zal ik acht jaar geweest zijn dat ik mij voor het eerste bewust was van mijn Indische afkomst, die zomerdag in de Seventies? Of was het iets vanzelfsprekends? Buurtkinderen riepen zolang ik mij kan heugen: ,,Pinda, Pinda, Poepchinees”. Ik heb werkelijk geen idee meer.

Een zeer jonge Patrick Een zeer jonge Patrick

Waar ik opgroeide waren we omringd door Indische families. Dat voelde heel vertrouwd. Ook al was iedereen erg op zichzelf. Ik wist niet beter. En toen ik in de zesde klas lagere school (groep 8) iets over mijn afkomst moest vertellen, gaf ik bloedserieus aan tot ‘het bruine ras’ te…

View original post 383 woorden meer